dinsdag 15 april 2014

Paul van Ostaijen, MELOPEE


                                    Voor Gaston Burssens
 
 
Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee
 
Langs het hoogriet
langs de laagwei
schuift de kano naar zee
schuift met de schuivende maan de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee
 

Dit gedicht beschouw ik als een compositie van beelden en klanken. Het begint met een vers van tien syllaben. Het geeft het beeld weer van een maan, stabiele factor), waaronder de rivier langzaam stroomt. Het werkwoord “schuiven” geeft de handeling een aspect van traagheid. Bovendien is het een prospectief woord, want het schuiven speelt in de volgende verzen een grote rol. In het tweede vers is het beeld al verschoven. Nu is de rivier de statische factor, de maan de dynamische. Het woord “compositie” is een muzikaal begrip. Het tweede vers is een variatie op het thema dat in vers 1 is geformuleerd. Er zijn twee woorden toegevoegd: “lange” en “moede”. Daarmee wordt de objectieve [2]beschouwing van het beeld subjectief ingevuld. Bovendien is er een klank toegevoegd. Bij de contrasterende “aa” en de “a” zien we nu de “oe” verschijnen. De “o” van “onder” is vervangen door de “oo” van “over”. Ook de eveneens contrasterende “ie” en “i” zie je weer in vers 2. het aantal syllaben bedraagt hier veertien.

Vers drie vormt een nieuwe variatie op het thema, zestien syllaben nu. Het beeld is weer omgekeerd, de maan is weer de statische factor, de rivier de dynamische. Maar de rivier is nu voorzien van een kano, die als object van het schuiven wordt ingevoerd. Je zou zeggen dat de kano daarmee ook een dynamische factor vormt. Maar is dat wel zo? De kano wordt voortbewogen door de rivier en is ten opzichte van het water statisch. Mij schiet nu een beeld van vroeger binnen. Door ons dorp liep de Gouwe, druk bevaren door vrachtboten, beurtschippers en zo. Soms was het de schipper of een ander bemanningslid die met een lange vaarboom het schip vooruit duwde. Mij fascineerde toen dat het schip onder de man voortbewoog, terwijl hij op dezelfde plaats bleef ten opzichte van mijn gezichtsveld. Als hij op de achterkant van het schip was beland, liep hij weer naar het voorschip. De kano staat dus in relatie tot de maan en de rivier en is daardoor statisch en dynamisch tegelijkertijd. Met de kano is de “aa” verdubbeld en is de “oe” door een “oo” vervangen. Opvallend is een nieuwe klinker in het laatste woord: de “ee”. Dit is een merkwaardige klinker, die vaag en onbestemd uitloopt in niets, niet afgesloten door een medeklinker. Van Ostayen putte de mogelijkheden van deze klinker uit in zijn gedicht over de chimpansee, de Berceuse, presque nègre. We hebben al met al een thema met twee variaties gezien.

Dan klinkt er een nieuw thema in een nieuwe strofe. Heel bijzonder, want het lange vers van veertien syllaben is verdeeld in drie verzen. Het doet een beetje aan staccato denken. Het vierde vers telt dan vier syllaben met drie klinkers: “a”, “oo” en “ie”. Het vijfde vers, eveneens vier syllaben, vormt weer een variatie: “oo” wordt “aa” en “ie” wordt “ei”. De twee fragmenten van het beeld worden gecomplementeerd door het zesde vers, dat een deel van het eerste thema opvat met “aa” en “oo” en “ee”, drie lange klanken. Tevens is nu de dynamiek in het beeld gekomen door de herhaling in “schuift”. Er zijn twee nieuwe aspecten in het beeld opgedoken, het hoogriet en de laagwei (twee germanismen voor Noord-Nederlanders). Voor het eerst zien we iets van de oevers, weer in contrasten uitgedrukt. Dan volgt een vers met twaalf syllaben, waarin elementen als de kano en de maan wel, maar de rivier niet meer voortkomen. De maan gaat in het water weerspiegeld, maar ook als je naar boven kijkt, gelijk op met de kano. Heel mooi geeft Van Ostayen met de verdubbeling van het werkwoord “schuiven” aan dat hij dit zo heeft gezien.

Dan volgt een vers met zestien syllaben. Hierin zien we de apotheose van dit gedicht. Ten eerste zien we alle aspecten van het beeld in één vers terug, zee, kano, maan en….. Juist, we missen de rivier en zien daar ineens een man, natuurlijk in de kano. Het beeld bevat nu ineens een persoonlijk element. Alle klanken uit vorige thema’s en variaties komen natuurlijk terug. Eigenlijk zou ik hier een nieuwe strofe hebben verwacht, maar Van Ostayen schrijft de laatste twee verzen zonder spatie erboven, die apotheose wordt al in de antimetrie aan het begin aangegeven. De tot nu toe consequent toegepaste trochee wordt plotseling in een antimetrie aan het begin van dit vers doorbroken. De vijfvoudige alliteratie met de “z” geeft dit vers met deze antimetrie de suggestie van een fortissimo.

Dan het laatste vers. Hier wordt naar een verband gezocht, maar het antwoord blijft uit. Hier wordt de zinvraag gesteld: waarom dit alles? Die wordt prachtig verbeeld in de drie “ee”-klanken, die, zoals ik al schreef, de onbestemdheid uitdrukt: “een merkwaardige klinker, die vaag en onbestemd uitloopt in niets, niet afgesloten door een medeklinker”. We vinden die klank overigens al twee keer in de titel. Die onbestemdheid wordt nu versterkt tot zinloosheid. Het woord “gedwee” vertolkt hier het passieve van de mens, geworpen in deze wereld, zonder zin, zonder betekenis. Sartre had dit gedicht eens moeten lezen.

 

Ik voeg de Berceuse zonder verdere bespreking toe:

 

Berceuse presque nègre

 

De chimpansee doet niet mee

waarom doet de chimpansee niet mee

de chimpansee

is ziek van de zee

er gaat zoveel water in zee

meent de chimpansee

 



[1] Graag verwijs ik naar de heel interessante analyse van Rik Wouters in de Klassieken van Meander: http://klassiekegedichten.net/index.php?id=9 . Hij schrijft hier over de titel: “Een 'melopee' is een ritmisch gezang als begeleiding van declamatie.”
[2] Ik gebruik deze tekens bij gebrek aan fonetische tekens in mijn digitale mogelijkheden.

zaterdag 5 april 2014


Hendrik de Vries, Mijn broer
 
Mijn broer, gij leedt
Een einde, waar geen mensch van weet.
Vaak ligt gij naast mij, en ik
Begrijp het slecht, en tast en schrik.
 
De weg met iepen liept gij langs.
De vogels riepen laat. Iets bangs
Vervolgde ons beiden. Toch woudt gij
Alleen gaan door de woestenij.
 
Wij sliepen deze nacht weer saam.
Uw hart sloeg naast mij. ‘k Sprak uw naam
En vroeg, waarheen gij gingt.
Het antwoord was:
“… Te vreeselijk om zich in te verdiepen,
“Zie ’t gras
“Ligt weder dicht met iepen
“Omkringd”
 
In: De nacht, 1920
 
Ook dit gedicht vindt u, tussen heel veel andere besprekingen, op:
 

maandag 31 maart 2014


Willem Elsschot: Het Huwelijk
Toen hij bespeurde hoe de nevel van de tijd
in d'ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.
 
Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij de baard
en mat haar met de blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.
 
Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.
 
Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.
 
Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.
 
Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.



Dit gedicht, naar mijn mening een van de mooiste uit de Nederlandse literatuur, heb ik besproken op Meander De Klassiekers:


maandag 24 maart 2014

Lucebert, Twee handjes


hij heeft een magnifiek tichouten handje

een tichouten handje met houtkwast

een tichouten handje met houvast

een tichouten houvast als een tichouten hutje

waarin hij zijn opgezette ticdiertjes ophangt

boven het tic tic knapperend houtvuurtje

waarbij hij ’s avonds laat nog zit te dromen

van dat andere handje dat op zo’n goede voet stond

met het machinegeweertje waarmee hij zo scherp

tic tic kon schieten

peinzend hanteert hij dan zijn ticsomber zingend zaagje

waarmee hij de tichouten nagels van het tichouten handje wat kortwiekt

en leest in de tichouten lijnen des levens

dat het niet de hoge bomen zijn die de kwaadaardigste winden vangen

maar dat dat het allermiserabelst rietje mag doen

dat als ticrietje nu eenmaal gewend is te denken

dat het er spaans tic tic tic toe moet gaan in zijn leven

wanneer het ijzeren handje tac tac tac uit angst

      weer eens bij ons de klok terugzet

 

U vindt een bespreking van dit gedicht op:

 

maandag 17 maart 2014



Een klein draadje

Met dat hoofd gebeurt nog eens wat.
Het gelaat ligt me al te plat
op de vette hersenkast.
Er gebeurt vast wat.

O, als ooit dit peinskistje splijt
als een vrij eetbare brei
verschijnt dan dit brein van mij
en bevlekt met gedachten de grond
maar de dood verzegelt mijn mond,
en minder dood dan wel veilig
sterft het schijnheilig.

Door de dood word ik graag overmand.
Ik vrees meer mijn gezond verstand.

Ik vrees dat leger van spinnen -
- de zenuwcellen daarbinnen.

Dat vreselijk web vol webben
kan ik eigenlijk niet goed hebben.

Wat zou er b.v. gebeuren
als twee draadjes zouden scheuren
en contact maken met elkaar
onzichtbaar, diep onder mijn haar,
terwijl ik uitwendig zo
maar in een winkel bezig ben
groenten en vlees te ko-
pen...

Er knetteren geen vlammen en vonken.
Iemand zegt: is hij dronken?

Opeens zit ik voor ons huis op de stoep
met zes duizend blikken soep.

En zegt mijn tedere vrouw:
lieverd, wat doe je nou?
Dan zeg ik: nu gaan we eten,
o nee, ik ben de soep vergeten.

Gebeurt het onder het dichten,
wie purp publiek dan inlichten
dat dit geen genialiteit
maar een purpje los is, of kwijt?

Een draadje dat stroom opslurpt
van murp gedachtengurpt.

En kurpsluiting leidt tot brurp -
Brarp! Hurp! Hurp!



Leo Vroman (1915-2014)

Uit: De ontvachting
Uitgever: Querido, Amsterdam 1960

Wegens het overlijden van Leo Vroman heeft Meander De Klassiekers een door mij geschreven bespreking geplaatst. Je vindt die op:

dinsdag 11 maart 2014



Het lied van het morgenlicht

Ik groet het morgenlicht maar of het zich laat groeten
de voeten der voorbijgangers laten zich beter groeten
wij moeten zeggen zij ondanks het morgenlicht
ik knik ze toe houd moed zeg ik het licht maakt je toch blij
ze knikken terug maar ze geloven niet ze gaan voorbij.

Het morgenlicht houdt zich nu bezig met de dingen
de pasgewassen trams de rails het draad erboven
de fietssturen de ramen en de raamkozijnen
de dingen kunnen in het morgenlicht geloven
het water van een gracht wordt zonder kleren aan
zo heilig als de heilige Sebastiaan.

En ook de kar de man ernaast de haring op de kar
zij roepen eensgezind en zonder dat zij opzien baren
het morgenlicht nabij en ook ikzelf ik groet
het morgenlicht maar of het zich laat groeten
wij moeten zeggen wij dit is het morgenlicht
wij moeten zeggen wij het licht is ons gezicht
wij moeten zeggen wij het licht gaat eenmaal dicht.


Hans Andreus (1926-1977)


Uit: Verzamelde gedichten, (ed. Gerrit Borgers, Jan van der Vegt en Pim de Vroomen).
Uitgever: Bert Bakker, Amsterdam, 1983.

Dit gedicht heb ik besproken voor de site van Meander Klassiekers:

dinsdag 4 maart 2014



De boot van Dionysos XVII

‘Ik die bij sterren sliep en ’t haar der ruimte droeg
als zilveren gewei en ’t stuifmeel der planeten
over den melkweg blies en in de maan gezeten
langs ’t grondeloze blauw der nachten voer,

ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand,
mijn stem verloor haar gloed en vindt geen weerklank meer
in ’t dode firmament, niets dan de galm die keert
van ’t sombere gewelf van mijn ontredderd hart.

ik sta alleen, geen God of maatschappij
die mijn bestaan betrekt in een bezield verband,
geen horizon of zee, geen poovre korrel zand
in ’t naamloos wel en wee der brandende woestijn.

ik voel de waatren stijgen in den nacht,
de angst rijst naar den mond en aan mijn lippen staan
vermoeienis en walg, ik heb mijn merg verdaan
in slaafse horigheid aan ’t roofzuchtig bloed.

niets rest mij dan mijn val, laat mij te pletter slaan
en kermen als een meeuw tussen het zwarte wier;
die eens als zon in ’t zenith heeft gestaan,
zal bijten in het zand als een kreperend dier’.



Hendrik Marsman (1899-1940)

Uit: Verzameld werk
Uitgever: Querido, Amsterdam, 1979, 4e druk

Dit gedicht heb ik voor Meander besproken. De tekst van de bespreking vindt u op: