maandag 17 maart 2014



Een klein draadje

Met dat hoofd gebeurt nog eens wat.
Het gelaat ligt me al te plat
op de vette hersenkast.
Er gebeurt vast wat.

O, als ooit dit peinskistje splijt
als een vrij eetbare brei
verschijnt dan dit brein van mij
en bevlekt met gedachten de grond
maar de dood verzegelt mijn mond,
en minder dood dan wel veilig
sterft het schijnheilig.

Door de dood word ik graag overmand.
Ik vrees meer mijn gezond verstand.

Ik vrees dat leger van spinnen -
- de zenuwcellen daarbinnen.

Dat vreselijk web vol webben
kan ik eigenlijk niet goed hebben.

Wat zou er b.v. gebeuren
als twee draadjes zouden scheuren
en contact maken met elkaar
onzichtbaar, diep onder mijn haar,
terwijl ik uitwendig zo
maar in een winkel bezig ben
groenten en vlees te ko-
pen...

Er knetteren geen vlammen en vonken.
Iemand zegt: is hij dronken?

Opeens zit ik voor ons huis op de stoep
met zes duizend blikken soep.

En zegt mijn tedere vrouw:
lieverd, wat doe je nou?
Dan zeg ik: nu gaan we eten,
o nee, ik ben de soep vergeten.

Gebeurt het onder het dichten,
wie purp publiek dan inlichten
dat dit geen genialiteit
maar een purpje los is, of kwijt?

Een draadje dat stroom opslurpt
van murp gedachtengurpt.

En kurpsluiting leidt tot brurp -
Brarp! Hurp! Hurp!



Leo Vroman (1915-2014)

Uit: De ontvachting
Uitgever: Querido, Amsterdam 1960

Wegens het overlijden van Leo Vroman heeft Meander De Klassiekers een door mij geschreven bespreking geplaatst. Je vindt die op:

dinsdag 11 maart 2014



Het lied van het morgenlicht

Ik groet het morgenlicht maar of het zich laat groeten
de voeten der voorbijgangers laten zich beter groeten
wij moeten zeggen zij ondanks het morgenlicht
ik knik ze toe houd moed zeg ik het licht maakt je toch blij
ze knikken terug maar ze geloven niet ze gaan voorbij.

Het morgenlicht houdt zich nu bezig met de dingen
de pasgewassen trams de rails het draad erboven
de fietssturen de ramen en de raamkozijnen
de dingen kunnen in het morgenlicht geloven
het water van een gracht wordt zonder kleren aan
zo heilig als de heilige Sebastiaan.

En ook de kar de man ernaast de haring op de kar
zij roepen eensgezind en zonder dat zij opzien baren
het morgenlicht nabij en ook ikzelf ik groet
het morgenlicht maar of het zich laat groeten
wij moeten zeggen wij dit is het morgenlicht
wij moeten zeggen wij het licht is ons gezicht
wij moeten zeggen wij het licht gaat eenmaal dicht.


Hans Andreus (1926-1977)


Uit: Verzamelde gedichten, (ed. Gerrit Borgers, Jan van der Vegt en Pim de Vroomen).
Uitgever: Bert Bakker, Amsterdam, 1983.

Dit gedicht heb ik besproken voor de site van Meander Klassiekers:

dinsdag 4 maart 2014



De boot van Dionysos XVII

‘Ik die bij sterren sliep en ’t haar der ruimte droeg
als zilveren gewei en ’t stuifmeel der planeten
over den melkweg blies en in de maan gezeten
langs ’t grondeloze blauw der nachten voer,

ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand,
mijn stem verloor haar gloed en vindt geen weerklank meer
in ’t dode firmament, niets dan de galm die keert
van ’t sombere gewelf van mijn ontredderd hart.

ik sta alleen, geen God of maatschappij
die mijn bestaan betrekt in een bezield verband,
geen horizon of zee, geen poovre korrel zand
in ’t naamloos wel en wee der brandende woestijn.

ik voel de waatren stijgen in den nacht,
de angst rijst naar den mond en aan mijn lippen staan
vermoeienis en walg, ik heb mijn merg verdaan
in slaafse horigheid aan ’t roofzuchtig bloed.

niets rest mij dan mijn val, laat mij te pletter slaan
en kermen als een meeuw tussen het zwarte wier;
die eens als zon in ’t zenith heeft gestaan,
zal bijten in het zand als een kreperend dier’.



Hendrik Marsman (1899-1940)

Uit: Verzameld werk
Uitgever: Querido, Amsterdam, 1979, 4e druk

Dit gedicht heb ik voor Meander besproken. De tekst van de bespreking vindt u op:

woensdag 26 februari 2014



Cannes
In een woestijn van zon, dicht langs de zee
staan de platanen in een brede allee;
dorstige herten, plotseling betoverd
en in hun ren naar ’t water star gebleven,
het groene lichaam wit gevlekt, hoornen geloverd,
het wit gewei breed opgeheven.

Langs lopend, te gezond, te naakt
en door een lichte wijn in een soort droom bewegend,
besef ik plotseling de enig werkelijke zonde:
dat ik door het verwonderlijkste nauw geraakt,
zonder besef door het bestaan gezegend
en door de schadelijkste dingen nauw geschonden,
ver van de werkelijkheid ben weggeraakt.


M. Vasalis (1909-1998)
 Voor mijn bespreking van dit gedicht kunt u de link hieronder aanclicken:


 http://klassiekegedichten.net/index.php?id=117

woensdag 19 februari 2014

XXXIV


Der menschen hoogste smart is wonderbaar.
         Zonder gelach,
                  Zonder geween,
                           Lig ik gestrekt,
                                   Beweegloos gestrekt,
                                             Starend en stom,
                                                      In den nacht.

         Paarden-getrappel en wagen-gedraaf,
Donkere vormen bewegen zich zacht
                                              In den donkeren nacht....
         Donkere vormen, zonder gerucht,
                                                      En ik zucht....

         Paarden-getrappel en wagen-gedraaf,
         Paarden en wagenen draven gestaag,
Paarden en wagenen draven gestaag met getrappel op straat....
                   Waar ik roerloos gestrekt lig,
                             Zonder gerucht,
                  In den nacht, in den nacht.


Willem Kloos (1859-1938)

Uit: Verzen
Uitgever: Versluys, Amsterdam 1894 
 Vandaag is een bespreking van mijn hand op Meander Klassiekers geplaatst:
http://klassiekegedichten.net/index.php?id=177  

woensdag 12 februari 2014



Martinus Nijhoff, Impasse

Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan,
haar hullend in een wolk die opwaarts schiet
naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan
druppelend water op de koffie giet
en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Mag ik u deze keer verwijzen naar het literaire tijdschrift Meander, dat online verschijnt. In de categorie Klassiekers treft u een groot aantal gedichtanalyses aan. Ik heb aan de analyse niets toe te voegen. U vindt de analyse op:


 

dinsdag 4 februari 2014



Martinus Nijhoff, Herinnering

Moeder, weet je nog hoe vroeger
Toen ik klein was, wij tezaam
Iedren nacht een liedje, moeder,
Zongen voor het raam?

Moe gespeeld en moe gesprongen,
Zat ik op uw schoot, en dacht,
In mijn nacht-goed kleine jongen,
Aan ’t geheim der nacht.

Want als wij dan gingen zingen
’t Oude, altijd-eendre lied,
Hoe God alle, alle dingen
Die wij doen, beziet,

Hoe zijn eeuw’ge, groote wondren
Steeds beschermend om ons zijn,
- Nimmer zong je, moeder, zonder ‘n
Beven dat refrein –

Dan zag ik de sterren flonk’ren
En de maan door wolken gaan,
d’Ouden nacht met wijze, donk’re
Oogen voor me staan.

Biografisch?
Nijhoff groeide op met een vrome moeder. Zij was bevindelijk ingesteld en
Leerde hem christelijke kinderliedjes. Daaraan herinnert dit gedicht. We denken dan aan liederen als ‘opbergen en in dalen’ en ‘Weet gij hoeveel sterren flonk’ren?’. Toch moeten we uitkijken met biografische aspecten in zijn gedichten. We zouden een biografie moeten natrekken om het biografisch gehalte nader te onderzoeken. Dat doe ik nu niet.

Vorm
Het metrum is een strak volgehouden trocheus, het omgekeerde van een jambe. Zou Nijhoff dit zo consequent hebben volgehouden om de beschermende regelmaat in zijn kinderleven te spiegelen? Het rijm is gekruist, maar Nijhoff laat zich niet leiden door rijmdwang. In ‘vroeger’ en ‘moeder’ rijmen alleen de klinker en de sjwa, de toonloze ‘e’. in ‘flonk’ren’ en ‘donk’re’ zien we alleen de slot-n als verschil. Maar dat kan ook een gevolg zijn van de westerse uitspraak, die vaak de slot-n weglaat. In de tweede strofe treffen we twee schitterende alliteraties aan, die het vermoeidheidsaspect en de kinderlijke activiteit, op zichzelf een contrast, accentueren.

Inhoudelijk
Er valt niet zoveel te zeggen van dit gedicht, dat toch zo wonderlijk van het kinderlijke gevoel van geborgenheid uitdrukt. Juist de eenvoud van het geheel is de expressie van kinderlijk denken. Nijhoff doet dit vaker, in ‘Kinderkruistocht’ bijvoorbeeld.

Tenslotte
Toen Nijhoff volwassen was, was zijn geloof verdwenen. Maar het religieuze levensgevoel is nooit verloren gegaan. Hij is in de jaren vijftig, hoewel buitenkerkelijk, lid geweest van de commissie die het toen Nieuwe Liedboek samenstelde. De groep bestond uit een aantal bevlogen dichters, zoals Willem Barnard, Jan Wit, Jan Willem Schulte Nordholt, Ad den Besten en Martinus Nijhoff tot aan zijn dood. Het boek bevatte verhoudingsgewijs veel door deze dichters geschreven liederen. Nijhoff tekende o.a. voor Psalm 23, misschien de meest geliefde psalm.
Is het dat verloren geloof dat de in de melancholische sfeer van dit gedicht zo prachtig wordt uitgedrukt? Ik vermoed het, maar het blijft daarbij. Ik denk dat dit gedicht veel mensen die in de alledaagse realiteit hun geloof zijn kwijtgeraakt, sterk zal aanspreken. Voor zover godsdienst hun jeugd niet heeft verknoeid…