maandag 13 januari 2014



A. Roland Holst, Van een kind 1


Zoolang ik maar met hem speelde
bleef mijn heimwee wel vervuld
in zijn wiegekleine weelde,
want hij lacht mij vrij van schuld
vlakbij uit het eeuwige leven
gelijk ook het water lacht:
eerder dan de wereld, even
klinkklaar en vanzelve en zacht,
enkel gelijk water zijnde.

O, het lachen van het kind
voor de wereld en na haar einde –
van een kleine blinkende wind
vertelt het, die eens uitgezonden
zal worden over trots en pijn,
totdat Babylon en Londen
vergeven en vergeten zijn.
Uit: Verzamelde werken

Inleiding

Nee, deze keer geen halmen die ik niet meer zal zien. Roland Holst heeft dit gedicht in de bundel De wilde kim (1923) opgenomen. Ter vergelijking: Een winter aan zee dateert uit 1935. Hij staat bekend als dichter van het elysisch verlangen, als dichter binnen de stroming van het symbolisme en als dichter met een sterk mythiserende tendens. Afgezien van het slot moeten we de eerste en de derde typering voor wat dit gedicht betreft, maar laten vallen.

Kenmerken

Hier en daar zou je kunnen zeggen dat het gedicht het metrum van de trochee vertoont. Er zijn echter zoveel afwijkingen van dit metrum, dat je die niet meer als antimetrie kunt kenschetsen. Dat neemt niet weg dat Roland Holst bewust accenten legt op belangrijke woorden.
Ook het rijm vertoont geen regelmaat. We zien de figuren:
a – b – a – b – c – d – c – d – e,
f – e – f – g – h – g – h.
De ongelijke lengte in dit schema geeft al aan dat ook het aantal verzen in de twee strofen niet overeenkomt. Het zijn er respectievelijk negen en zeven. In de eerste strofe rijmt “zijnde” nergens op, de verbinding tussen de strofen wordt gelegd door de rijmklanken in “zijnde” en “einde”.  Voor het overige treffen we het gekruiste rijm aan.

Inhoud

Het verwijswoord “hem” correspondeert niet met de titel, hij is veel persoonlijker dan “een kind”, dat wel. We volgen de tekst op de voet.
De ik speelt met het jongetje en tijdens dat spel is zijn heimwee vervuld, is hij hier dus van bevrijd. Dat heimwee is het Elysische verlangen, de hunkering naar een wereld van sterke, grootse mensen, die hij na zijn studie Keltische Letteren in Oxford lokaliseert westelijk van het Ierse eiland. Daar wonen op het eiland van de gelukzaligen de godenzonen, vergeleken met wie wij mensen in het oosten maar klein en haast verwerpelijk zijn. Ik merk dat ik de “ik” in het gedicht nu al heb vereenzelvigd met de dichter. Ik laat dit maar zo.
Het kind is nog onbedorven, onaangetast door de menselijke gemakzucht, kleinheid en hoe je verder maar wilt typeren. De twee beklemtoonde syllaben aan het begin geven die tijdelijkheid, die duur, aan. De letter “w” speelt in deze strofe een belangrijke rol, het gebruik ervan is veel sterker dan de gewone alliteratie: “wiegekleine weelde”, “want”, “water”, “wereld” en nog eens “water”. Het kind in de wieg geeft de dichter het gevoel dat hij schuldeloos is, dat de schuldeloosheid van dit kind op hem wordt overgedragen. Het is nog maar net geboren, het eeuwige leven van voor de geboorte is “vlakbij”. Het lachje van het kind doet sterk denken aan het water dat op de dichter de indruk maakt dat het lacht. Het lokt, evenals dit schuldeloze kind. Achter dit water ligt het eiland van de gelukzaligen. Het is, net als het kind, helder (klinkklaar), als vanzelfsprekend en zacht.
Dan herneemt de dichter in de tweede strofe zijn gedachten, zoals hij die in dit gedicht weergeeft. Dit lachen van het kind, deze schuldeloosheid, plaatst hij niet alleen in het nu, maar ook in de wereld van voor de geboorte en die daarna. Het kind is als een “blinkende” wind, het doet je leven oplichten, het is verfrissend en verzacht de trots van de dichter die zich niet wil conformeren aan onze materialistische wereld, die lijdt aan deze wereld (“trots en pijn”).
Babylon is in de Bijbel de plaats waar al het kwaad, dat wij in onze wereld aantreffen, geconcentreerd is, de plaats van afgoderij, dienst aan het stoffelijke, en van “hoererij”, waar men dus gespeend is van alle moraal en ethiek. Londen is de metropool uit de eigen tijd van de dichter, waar miljoenen mensen zijn samengepropt, waar zij hun individualiteit, hun grootheid hebben verloren, waar zij zijn opgegaan in de massa. De zuiverheid die in dit kind geopenbaard wordt, zal als een verfrissende koelte komen en de trots van de eenzame, de pijn van de verlangende, zijn opgelost, waar alle verlangen is vergeten, waar het besef van tekort gekomen zijn, wordt vergeven.

Tot slot

Roland Holst heeft als geen ander het verlangen naar heelheid, het besef van hierin tekort schieten, in zijn poëzie tot uitdrukking gebracht. Hij wordt niet veel meer genoemd, evenals andere dichters uit het tijdperk tussen de twee Wereldoorlogen. Toch is dit een bloeitijd van onze poëzie geweest, die alleen geëvenaard wordt door de Gouden Eeuw.
Ik plaats nu zonder toelichting het vervolggedicht. Die is denk ik na het voorgaande niet meer nodig. Lees ook eens De kleine waterplek, het eerste gedicht uit de bundel Onderweg uit 1940.

Van een kind 2


Het lachen van een kind dat nog niet praten kan,
en van een mens, die niet meer spreken kan, de snik:
van al de tussen ’t een en ander ogenblik
dreunende menigten en van de bontgekleurde
beelden, die men aanbad en schond, wat komt er, dan
een wiegekind, dat lacht alsof er niets gebeurde…

In deze wereld is dit alles tegelijk
en nooit vervuld; maar ergens in mijzelven wordt
eens Londen, gelijk Babylon, uiteengestort;
dan kom ik strompelend over de puinen, later,
naar waar ik een kind zie in een klein eeuwig rijk
van ademend gras en van een boom en levend water.

maandag 6 januari 2014

J.C. Bloem (1887-1966)


Grafschrift


Een naamlooze in den drom der nameloozen,
Aan de gelijken schijnbaar zeer gelijk,
Door geen vervoering stralend uitverkozen
Tot heerschen in een onaantastbaar rijk –

Wie van die hem vergaten of verdroegen
Ontwaarden uit hun veilige bestek
De schaduw van twee vleugels, die hem joegen,
Den fellen klauw in zijn gebogen nek?

En nu, na het begeerde, het ontbeerde,
Na de onrust en het levenslang geduld:
Een steen, door 't groen gebarsten, en verweerde
Letters en cijfers, die de regen vult.

J.C. Bloem, Verzamelde gedichten
Amsterdam 1981, 8e druk
Blz. 134
J.C. Bloem - Grafschrift



Inleiding

Bloem zou je kunnen rekenen tot de neoromantici, die allen gekenmerkt worden door het thema ‘de zoektocht naar het geluk’. In zijn geval kun je spreken van onvervuld verlangen, hij heeft het geluk nooit gevonden. Dit in tegenstelling tot een dichter als Aart van der Leeuw, die als neo-romanticus ook het verlangen naar geluk verwoordt, maar bij wie dit verlangen ook vervuld wordt. In zijn wijze van uitdrukken wordt duidelijk dat hij tot de generatie van Geerten Gossaert, Van Eyck, Roland Holst en Jozef Israël de Haan behoort.  Wie zijn loopbaan leest, studie rechten, ambtenaar, redacteur NRC, opnieuw ambtenaar, o.a. bij de griffie, zal tot de conclusie komen, dat dit gedicht samen met vele andere, kortom zijn hele œuvre, inderdaad zijn persoonlijke levenssituatie uitdrukken.

Vorm

Grafschrift bestaat uit drie kwatrijnen, het vijfvoetige metrum is jambisch, het rijm is gekruist. In de eerste twee kwatrijnen beschrijft Bloem het leven van de man die nu onder de grafsteen ligt. In de derde strofe wordt het graf beschreven.

Analyse

In het eerste vers wordt twee keer het woord “na(a)m(e)lo(o)ze(n)” gebruikt. Alleen die woordherhaling al geeft het vergeefse van het leven van de man onder de steen weer. Er staat een naam op de steen, maar daar houdt het ook mee op. Tijdens zijn leven was hij al naamloos, niemand wist wie hij was als persoon. In het tweede vers gebeurt hetzelfde met het woord “gelijk(en)”. Natuurlijk was hij een individu, maar niemand heeft dit gezien, hij was een onopvallende figuur in de grote groep van onopvallende mensen. Hij kende geen vervoering. Het woord “vervoering” geeft een situatie aan, waarin de mens zichzelf overstijgt. Hij wordt door een religieuze of esthetische gewaarwording zo geraakt dat hij “buiten zinnen” raakt. Hij is even van de wereld, onttrokken aan zijn realiteit. Het is een mystieke ervaring. Zulke momenten heeft onze hoofdpersoon nooit gekend. Zou dit wel het geval zijn geweest, dan had hij ervaren dat buiten de realiteit een geestelijk gebied is, waarin hij als vorst had kunnen leven. Voor niet meer dan momenten wel te verstaan.
De tweede strofe begint met “Wie”, dat antimetrisch is geplaatst. Zo valt er een grote nadruk op dit vragend voornaamwoord. De hele strofe bevat een retorische vraag, versterkt door dit antimetrische “Wie”. Niemand heeft ontdekt dat de dood onze hoofdpersoon opjoeg, met andere woorden, dat doodsangst zijn leven beheerste. En dit, terwijl zijn leven voor ons, lezers, nu niet zo levendig wordt voorgesteld. Cynisch is geformuleerd dat wie hem zagen, hem onmiddellijk weer vergaten, dan wel hem tolereerden. Dit woord, tolereren, wordt tegenwoordig veel gebruikt in die zin dat je mensen van vreemde herkomst accepteert. Maar eigenlijk betekent dit woord dat je je als persoon boven degenen stelt die je tolereert. Jij hebt de macht hen al of niet te verdragen. Dat woord houdt hier in dat de hoofdpersoon als een onbetekenend mannetje werd ervaren. Wij kennen het werkwoord “ontwaarden” op het ogenblik weer heel goed. Maar let wel: hier staat de verleden tijd van “ontwaren”, gewaar worden.
De beeldspraak is prachtig. De dood wordt voorgesteld als een roofvogel, die zijn prooi opjaagt en die met zijn klauwen bemachtigt. Ongeveer hetzelfde beeld gebruikte Roland Holst in zijn In Memoriam voor Marsman.
De derde strofe begint met een heel bijzonder vers. In de eerste plaats staat er een antimetrie: “… nu, na…”, twee beklemtoonde klanken achter elkaar. Door twee onbeklemtoonde syllaben: “…na het…” achter elkaar te gebruiken schijnt het jambische metrum te worden hersteld. Maar nee, nogmaals lezen we twee onbeklemtoonde klanken: “…het ont-…”. Het metrum is grondig ontregeld. Dat gebeurt ook met het leven van de hoofdpersoon, bij wie de kalme regelmaat ontwricht wordt door het toeslaan van de dood. Die metrische onrust duurt voort, in het tweede en in het vierde vers van dit kwatrijn lezen we een antimetrisch begin. In het eerste geval drukt de antimetrie de onrust uit, die dan ook met name genoemd wordt. In het tweede geval valt zodoende een zwaar accent op de letters. Ook drukt die vertraging de lange tijd uit die de man onder de steen zal liggen. Bovendien eindigt het derde vers met een enjambement, dat als effect heeft dat de voortgang in het lezen wat vertraagd wordt. De man die de onrust van het leven geduldig moest verdragen, ligt nu onder een steen waarop zijn naam en jaartallen weliswaar zijn vastgelegd, maar toch ook door de weersinvloeden geleidelijk worden uitgewist. Zo wordt de man definitief naamloos…

donderdag 19 december 2013

Geerten Gossaert, De Moeder

Hij sprak en zeide
In 't zaêl zich wendend:
Vaarwel, o moeder,
Nooit keer ik weer...
En door de lanen
Zag zij hem gaan en
Sprak geen vervloeking maar weende zeer.

Sprak geen vervloeking...
Doch, bijna blijde,
Beval de maagden:
Laat immermeer
De zetels staan en
De lampen aan en
De poort geopend, de slotbrug neer.

En toen, na jaren,
Melaats, een zwerver
Ter poorte klaagde:
Uw zóon keert weer...
Zag zij hem aan en
Vond gene tranen,
Voor zoveel vréugde geen tranen meer.

-------------------------------------
uit: Experimenten (1911)


Inleiding

Bij deze dichter heb ik de neiging op zijn persoonlijkheid in te gaan, maar ik moet mij bedwingen. Ik verwijs naar http://www.verloren.nl/index.php?page=boeken&boek=907213141X en http://nl.wikipedia.org/wiki/Carel_Gerretson om je een indruk te geven. Naast al zijn maatschappelijke activiteiten was hij dichter. Dat wil zeggen: hij heeft zegge en schrijve één bundel gepubliceerd, waarin overigens wel bij herdrukken gedichten werden toegevoegd. Hij wordt gerekend tot de generatie van 1910 met Bloem, Van Eyck en Roland Holst. Belangrijker is echter dat hij de “dichter van de bezielde retoriek” wordt genoemd. De retoriek licht ik niet verder toe. Het begrip kreeg enigszins negatieve connotaties, zoals”holle woorden”. Gossaert durfde het aan ondanks deze opvattingen weer retorische poëzie te schrijven dat hij niet holle woorden gebruikte, maar ze juist opnieuw bezielde.
Dit blijkt uit het gekozen gedicht. Met de jambe als metrum en me een plechtige stijl en woordkeus, zou een onervaren lezer de neiging kunnen krijgen het gedicht opzij te leggen. Dat zou doodzonde zijn! Let eens op het begin: “Hij sprak en zeide…”. Dit is een hebraïsme, een manier van formuleren, zoals we die in de Bijbel aantreffen. Het woord “zaêl” is een samentrekking van “zadel”, dat wat plechtstatig aandoet. Het is natuurlijk gebruikt om het metrum te handhaven. “… zich wendend” is een kernachtige wijze van uitdrukken. Dan komt het beklemmende
Vaarwel, o moeder,
Nooit
keer ik weer..
De moederliefde blijkt uit de laatste woorden van de eerste strofe. Maar is dit niet een toch wat sentimenteel verhaal geworden?  Dat ontken ik, maar voor de argumenten heb ik de nadere bespreking nodig.

Bespreking

Het gedicht bestaat uit drie strofen van elk zeven verzen. Het is gedeeltelijk rijmloos, want in de eerste drie verzen van elke strofe is geen rijm te bekennen. De laatste vier verzen vertonen omarmend rijm met een wat humoristische vorm: gaan en – aan en – aan en. Als een dichter zo iets één keer doet, kun je hem van rijmdwang verdenken. Gossaert vermijdt dit door een drievoudige weergave. Dat “maagden” in strofe 2 rijmt op “klaagde” in str. 3 lijkt me toevallig.
Antimetrie treedt drie keer op in str. 1. “Vaarwel” en “Nooit” beklemtonen het onherroepelijke besluit, “Zag” tekent de pijn die het zien van haar vertrekkende zoon de moeder doet. In str. 2 is “Laat” antimetrisch. Zo komt er veel klem op de opdracht van de moeder. “Zag” en “Vond” tekenen de emotie van de gelukkige moeder.
Ondanks het Bijbelse begin is het gedicht in de Middeleeuwen gesitueerd. De zetels, de poort en de slotbrug geven dit duidelijk aan. In die tijd kwam melaatsheid ook in Europa voor, waarschijnlijk als gevolg van de kruistochten.
Het Bijbelse aspect vinden we niet alleen in het begin, maar ook in het gegeven van het gedicht. Het verhaal alludeert duidelijk op de gelijkenis van de verloren zoon. De vader is vervagen door de moeder en de oudste zoon is verdwenen.

Een mogelijke verklaring

Er is gesuggereerd dat Gossaert in “De moeder” zijn eigen dichterschap aan de orde stelt. Hij kwam er slechts sporadisch toe een gedicht te schrijven. Jarenlang was hij verloren voor de poëzie. De associatie met de verloren zoon ligt dan voor de hand. Dat de vader hier is vervangen door de moeder zou verklaard kunnen worden uit het vrouwelijke “poëzie”.

Tot slot

Zo zien wij dat in de archaïserende elementen, woordkeus, hebraïsme, setting van het verhaal, Bijbelse en Middeleeuwse sfeer, het gedicht retorisch geladen wordt. Het jambische metrum leidt hier tot een gedragen stijl: “En door de lanen / Zag zij hem gaan / En sprak geen vervloeking maar weende zeer.”
Gossaert gaf zijn bundel niet voor niets de titel “Experimenten” mee. Hij experimenteert met (retorische) stijl, met woordkeus, met verhaalsetting. In een geval schrijft hij een triest verhaal in een feestelijk dansend ritme. Zijn kunstenaarschap blijkt uit het feit dat voor mij de sterk emotionerende inhoud toch niet goed uit deze in de bespreking vermelde eigenschappen is te verklaren. Dat is en blijft het geheim van het dichterschap.

vrijdag 6 december 2013



A. Roland Holst en S. Vestdijk, Kwatrijnen


SWORDPLAY - WORDPLAY
KwatrijnenOverenweer
door A.Roland Holst en Simon Vestdijk
Simon Vestdijk

Wat mag het raadsel van uw arbeid wezen?
Muur van den Geest, waar die van de Chinezen
te kort bij schiet. -O, Tegenpool van Bloem!
O, Gij, die sneller schrijft dan God kan lezen!


Een kwatrijn is, zo zagen we bij J.I. de Haan, een klein heelal. Alles wat er gezegd dient te worden, is samengebald in een kwatrijn. In dit geval dient er nog iets meer te worden vermeld. Het bovenstaande kwatrijn is geestig en beknopt, je zou het dus ook een puntdicht kunnen noemen, een puntdicht in de vorm van een kwatrijn dus.
Vestdijk produceerde in hoog tempo boeken, twee romans en een essay in één jaar is beslist geen uitzondering.  Wat kan de oorzaak van deze werkdrift zijn geweest? We weten het niet. hij was een legendarische figuur, we kennen allen het feit van zijn hardnekkige vrijgezellenstaat, totdat hij voor de bijl ging voor een jonge vrouw, min of meer een buurmeisje. Dat neemt evenmin weg dat de relatie tussen em en zijn huishoudster veel verder ging dan een gewone dienstrelatie. Zij was ook knap jaloers, wat bleek toen hij verliefd was op Henriette van Eyk. Maar de oorzaak van het feit dat hij vrijwel een workalcoholic was, is mij niet bekend. Hij kon geen storend geluid velen, wat leidde tot zijn gewoonte om de stofzuiger aan te zetten bij het schrijven, zodat hij andere geluiden niet kon horen.
Al met al moeten we toch vaststellen dat Vestdijk niet alleen werklustig, maar ook zeer creatief was. Romans als de Ina-Dammancyclus, De kellner en de levenden (een van mijn favoriete boeken met zijn prachtige Shakespearemotieven), Meneer Vissers hellevaart, De koperen tuin (Vestdijks eigen favoriet) zijn nu al klassiek. De belangstelling voor Vestdijk is enigszins weggeëbd, zij Verzameld Werk lag al snel bij De Slegte. Ten onrechte, want hij is toch een van de grote romanciers uit de twintigste eeuw.
Roland Holst was onder de indruk van deze werkdrift en schreef er het bovenstaande kwatrijn over. “Muur van den Geest” verwijst natuurlijk naar de Chinese Muur en slaat op Vestdijks werk. Dat is een muur van de Geest, zoals de Chinese Muur een gigantisch werk is geweest, is ook Vestdijks œuvre dit. J.C. Bloem was bepaald geen harde werker, zo blijkt uit dit kwatrijn. Zijn alcoholconsumptie was daaraan omgekeerd evenredig. Roland Holst legt metrisch drie accenten: “Muur” en twee keer de uitroep “O”. De laatste woorden, “die sneller schrijft dan God kan lezen”, zijn een geniale vondst.
Vestdijk antwoordde op dit kwatrijn:
Volgens de theologen

God leest de boeken in één oogopslag
En hoeft niet lang in een kristal te staren.
En die op aarde veel of weinig baren
Krijgen hun beurt wel op de Oordeelsdag.

(S. Vestdijk)


Hierop ontwikkelde zich een langdurige briefwisseling in kwatrijnen, die ik zonder die verder te bespreken hieronder plaats. Deze kwatrijnenreeks is een hoogtepunt in onze literatuur.

Nog eens Simon Vestdijk

Waar, wat gij driest beweert, nooit is gebleken
beweer ik (die u niet durf tegenspreken):
Leest God per blik een boek, dan heeft Hij toch
bepaald die truc van Simon afgekeken.


Roddelen aan de lopende band

Uw duivelse alwetendheid, waar 'k keer op keer
Bezorgd de fluisterstem der wereld in herken,
Moge mij melden, Adriaan, waar ik nog méér
Dan schrijven, en nu ook al lezen, vlug in ben.

(S. Vestdijk)


Allen te vlug af

Gij spot met Ruimte en Tijd, en bovendien
-van God tot Satan, en van Ot tot Sien-
met alle Manusjes... O, Gij, Puissante
Manus van Alles-in-'n-Ommezien!


Selfdefense

Op hoeveel hoon, zelfs in genadeloze
Kwatrijnen, moet hij wel verdacht zijn die't
Leven verbeeldt en er iets meer in ziet
Dan Helena en haar metamorfosen!

(S. Vestdijk)


Simon de kastijder

Gij, Onverwachte, die, na maanden mildheid,
eensklaps met meesterlijk beheerste wildheid
van Heerikhuizen legt over Uw knie,
tot zelfs dát blij gelaat een blote bil blijkt.


Welkome afleiding

Gij, Grote Langzame, die zich bij tijden
Aan geniaal herkauwen niet onttrekt,
Moet wel verrast zijn als vlak over 't hek
Een Bil luidruchtig wordt in Holland's weiden.

(S. Vestdijk)


De bil spreekt

Aan hele en halfwas literaire dictatoren
Geef ik met leedvermaak de wind van voren,
En wie mij leggen wil over de knie,
Die vliegt het voor hij 't weet soms om zijn oren.

(F.W. van Heerikhuizen)


Een opvatting

Ik hoor, dat uw groot werk iets groots ontbeert.
Ik zag het liever zó geformuleerd:
Uw oeuvre houdt hun honger smullend bezig
als een Hors d'Oeuvre, eindloos gevarieerd.


Vereerd, doch verbaasd

Na bitt're smaad de diepst gevoelde hulde,
milde waardering na de felste strijd:
Nooit was er iets dat heel mijn hart vervulde
met zoveel achterdocht en dankbaarheid.

(S. Vestdijk)


Nog een opvatting

Gij, die 't bestaat de Schuwen en de Schrielen,
al die halfzachte Zieligen te ontzielen
in knetterende ontladingen bedreigt
gij hun cultuur van Foeten en Fossielen.


Oproep

O, dank, mijn vriend! Ik weet mij haast geen raad!
Is het zó jammerlijk gesteld op straat
en op de Koepel en in alle kerken,
dan moeten wij tezaam wel héél hard werken.

(S. Vestdijk)



Al weer een opvatting

Verward tussen Aardstralen en Lamstralen,
wat rest ons lot dan drekkige schandalen!
Gij brengt ze in druk, en wordt voor 't nageslacht
de Drukgod uit de Annalen der Analen.


Tweeërlei soort reiniging

Wat hebt gij uitgericht met uw schandalen
Anders dan hen in Keltische kanalen
Te laten borr'len onder bellen schuim,
En op míjn rioleringsnet te smalen?

(S. Vestdijk)


Godzelf aan lager wal

Ik kwam Hem tegen toen de dag aanbrak,
Godzelf, niet ver van hier; Hij leek het wrak
van wat Hij was geweest: noodlottig puilde
'De toekomst der religie' uit Zijn zak.


Medisch-theologisch advies

Zolang er 'toekomst' is, moet Hij vooral
niet schromen grondig zich te revancheren:
kan Hij niet meer met Helena verkeren,
Uw vers is het dat Hem verjongen zal!

(S. Vestdijk)


Niet boos maar verdrietig

'Niet dat zijn trots Brein praalt, alom bewegend,
(want wie dan Ik heeft hem ermee gezegend?)
bedroeft Mij', sprak Godzelf, 'maar dat hij Mij
met dat geschonken Brein zo koel bejegent.'


Reeds een meeuw beklaagt zich over dit soort 'zegeningen'

hij spreekt:
'Wel holstverdomme, 't is om zot te worden,
de eigendunk, de hoogmoed van die vent!
Nu wil hij weer van heel de meeuwenorde
als schepper (= poëet) worden erkend!

(S. Vestdijk)


Baas boven baas

Mijn meeuwenkreet en mijn privé-verdomme
inhoudend, ben ik in mijn pen geklommen,
want beklimt Meneer Visser zijn privaat,
dan ziet men Henry Miller zelfs verstommen.


Ontgoocheld

Hoe diep ontmoedigend dat g'uit mijn 'hors d'oeuvre'
dat arme kleine Visser-uitje uitpikt,
alsof ook gij van iedre blote huid schrikt
waarvan mijn bakker zegt: 'Het is niet soeuver'.

(S. Vestdijk)


Ongewild Godsbewijs

Steil blinkend Brein, dat nergens schroomt of weifelt,
haast had Godzelf Zichzelf in u betwijfeld,
toen juist uw ijlte Zijn Bestaan bewees:
zichtbaar Azuur dwars door den Toren Eiffel.


Knett'rende ontlading

Verbolgen kloof ik uit mijn donderwolk,
die uw bedriegelijk azuur verspert,
de toren, die sinds hij tot zender werd
de godsbewijzen uitbraakt over 't volk.

(S. Vestdijk)


Godzelf's dilemma

'Toen ik vannacht aan Simon's mal geval dacht:
hoe hij Mij opriep en toen weer ten val bracht
door metafysisch Mij te projecteren,
zat Ik bepaald verlegen met Mijn Almacht.'


Retraite gewenst

Na al die onderonzen met Godzelf
plaats ik u zachtkens in een diep gewelf;
daar, met uzelf alleen, moogt gij uitmaken
of gij niet van dit waanbeeld af kunt raken.

(S. Vestdijk)


Raad aan Godzelf

Waarom trokt Gij U toch zozeer zijn boek aan?
Gij trokt hém veel te vroeg de lange broek aan.
Beschaam hem met Uw hemel na zijn dood,
maar laat hem eerst, beduusd, er in de hoek staan.


Echt iets voor hemzelf

'Jij in de hoek!' lijkt, na Miskotte's vloek,
de straf van zulke eed'le Sinterklazen,
die ons verbazen met hun speculazen,
hun helse gard en hun hemelse koek.

(S. Vestdijk)


Godzelf tot Simon

'De Volle Levers, die Mij zo vervelen
met alsmaar weer die truc, juist in Bordelen
Mij hun vlot hart te wijden... Simon, ach,
kon ik úw hart maar aan uw brein ontstelen!'


Simon tot een gevallen engel

Tot goede raad hebt gij u reeds vermeten.
in zake 't 'brein' mag Hij uw leerling heten.
Straks borrelt gij met Hem, en geeft Hem vuur,-
en wordt als Lucifer er uitgesmeten.

(S. Vestdijk)


Simon de sadist

Steeds heeft de Muze dichters, eer zij 't wisten
verslaafd aan Haar geheim van lust en listen
Gij draait de rollen om: gij ringeloort
en beult Haar af als uw beroepstypiste.


Sadisme uit noodzaak

Bedenk, o Adriaan, dat al die Wijven
van 'lust en list' het gaarne zo ver drijven
dat gij, als Herakles bij haar in dienst,
alleen moogt weven, en niet eens meer schrijven.

(S. Vestdijk)


Changement de décor

Laatst trachtte ik Helena weer mee te tronen
Vergeefs: Zij las Aktaion en at bonen
met spek en sprak: 'Ik heet nu Griekse Leen,
en ga met Ina Damman samenwonen'.


Ina Damman en de ont'leen' de Helena

Ik liep met haar die mij eens ging verloren
en vroeg: 'Wil jij naar Bergen of naar Doorn?'-
Zij sprak: 'Wil jij nog? Hém kan enkel maar
'n aan anderen ontleende schim bekoren'.

(S. Vestdijk)


Wijze raad

Wat schort uw wijze neus? Verstopt?: flink snuiten!
Maar zet daarna de bloemetjes eens buiten.
Speel met hún oogwenk Eeuwigheid, dan kunt
gij des te beter met úw etmaal muiten.


De bloemetjes buiten

In Bergen laatst, belust op schone taal,
stuitte een pelgrimsstoet op 't nieuwst schandaal:
vlak naast de dikke dame met twee koppen
prijkte de dichter als anencephaal.

(S. Vestdijk)


Uit dankbaar verlangen naar meer

Gij woekert met uzelf, maar zonder zwendel.
Te vaak zelfs houdt gij achter slot en grendel
uw humor:'haast bezweek ik bij uw stuk
over die zeven tuinen van Van Schendel!


Humor tegen wil en dank

Weet, vriend, dat mij úw stuk een breukband kostte:
Daar waar gij Coster van de doem verloste
gewoon een mens te zijn als gij en ik.
Hij blij, gij 'humoristisch', ik de hik.

(S. Vestdijk)


Lier en lancet

Kafka en Rilke, Joyce en Valéry,
verklaren u, voor God, hun evenknie.
Maar Emily beklaagt zich in den hemel:
'Wat moet ik, waar ik nergens Simon zie?'


Onmiddellijk bereid

Ik zou in God geloven, meer dan gij,
bestond de kleinste kans, dat in een rij
van eng'len ik met haar kon zijn herenigd
die een stuk waakzaamheid vermaakte aan mij.

(S. Vestdijk)


Simonanton

Gij maakte uw scherpe Muze tot uw Venus-
Nu hijgt uw honger naar 't genot, dat heen is.
Geen warme Borst, lucide Zuigeling,
kan zich meer bieden waar uw kille Speen is.


Bergense kinderhygiëne

'O moederborst, die later zoveel leed geeft,
hoe krijgt men 't kind eraf zonder dat 't weet heeft
ervan?' vroeg 'k tante Jaan, die nogal preuts is.
Zij sprak: 'Men spene 't kind zolang 't nog foet is.'

(S. Vestdijk)


Collaboratie

'Hij, die een boek, bij wijze van verzetje,
met Henny schreef, met Jeanne en thans met Jetje,
geeft mij geen kans; toch weet ik vast, mijn stijl
hen allen overleeft', sprak Tante Betje.


Een ander verzetje

O, Wolff, niet slechts met uw verknochte Deken-
want uw kwatrijn moest vast uzélf niet wreken-
maar ook met Jany, die de doden eert,
ligt gij, mij lasterend, onder één deken.

(S. Vestdijk)


Geen Theunisbloem

'k Zei tot een bloem, dat ik de Lente roem
'Onzin', sprak zij - 'die is - en 't wordt haar doem
der bloemen metafysische projectie!'
Ik vroeg, beduusd, haar naam: ''k heet Simonsbloem!'


Genoemde variëteit spreekt:

Waarom mag 'k mij niet vrij en zalig wiegen,
zonder zo'n akelig massief begrip
als keten aan mij, hangend van uw lip:
de Lente-God-het Noodweer-en het Liegen.

(S. Vestdijk)


Volgens Simon zelf

Over vijf eeuwen ('k moet er niet aan denken!)
kan nog geen enkel (maar dan ook geen énkel!)
psychosynthetisch parapedagoog
het redden zonder úw 'bescheiden wenken.'


Molto crescendo

Niet slechts 'niet redden', maar zij zullen sterven,
atoomverpest, en aan de lucht bederven,
zo zij, faciel en onberoerd als gij,
mijn 'wenken' met wat ironie bijverven.

(S. Vestdijk)


Simon, blijf jong met Jung

Wie niets geloven dan door zien en horen,
menen een boom slechts uit den grond geboren,
een droom uit sex, kunst uit economie...
Toch zijn, zonder de zon, ook zij verloren.


Verkeerd verbonden

Pardon, mijnheer, hoe zei u? Mijn offerte
had slechts betrekking op een zakvol erwten,
erg schimm'lig, en met wurmpjes in hun schil,
en ratelend als meester Albedil.

S. Vestdijk


Verwey en zijn Idee

Verwey ging met zijn Muze niet in zee
zo dríest is gij, zo dróef als ik het dee.
Hún Echtverbintenis stond vast, naslaanbaar
-nog stéeds- in het Kadaster der Idee.


En toch...

Met enig recht hebt gij Verwey gehoond,
zoals ook ik wel. Ganslijk onbeloond
bleef toch zijn huwelijk niet: zijn schoonste kind'ren
heb ík destijds gewassen en verschoond.

(S. Vestdijk)


Dan maar domweg dichter

Om tot Verwey's idee te kunnen rijpen
moet ik tot Bal dus mijn Kristallen knijpen?
'k Verklaar, dat ik daar geen idee in heb,
noch wens ik er een bal van te begrijpen.


Synthese

Voor 't knijpen hoeft gij, wars van ied're bal,
hem niet te knijpen in de avondval.
't Kristal zal heus wel op de laatste vlammen
tot druppel smelten in dit tranendal.

(S. Vestdijk)


Onzeker

Verwey was zonder twijfel niet van gisteren,
noch een der miezerigen of sinistren.
Maar zat hij dichtend aan een Tafel, of
wetgevend voor een zwaar Bureau-ministre?


Tegen het ritueel

Dat A. Verwey zijn werk niet mag verrichten
bij meubelstukken die uw droom ontstichten,
lijkt mij een staaltje van uw dogmatiek.
De geest waait waar hij wil, ook bij het dichten.

(S. Vestdijk)


In ernst

Tel van uw Brein licht ook de rijkste vangst:
het edelst in uw denken blijft uw angst.
Wie 't Eeuwig Wezen loochent, kán nog groot zijn-
wie 't zonder wanhoop doet, is derderangs.


Altijd maar die angsten...

Mijn brein doorzocht ik angstig naar mijn Brein
en sneed het uit om u van dienst te zijn.
Toen kwam een feller angst: 't verheugd gedaver
van Keesje Kelk en Ben van Eysselstein.

(S. Vestdijk)


Straks

Al rest ons, zwervers tussen Kroeg en Kansel,
thans nog wat leeftocht wel, elk in zijn ransel,
't wordt straks, gedreven in ons laatste nauw,
een korst voor maal, een vonk nog voor uitspansel.


Nu

Wie in het nauw zit, die moet sprongen maken,
zijn beulen te slim af weer vrij geraken.
Laat áchter deze korst, en ook de vonk,
en kerf ze in hun strot in 't uur der wrake!

(S. Vestdijk)


Inkeer

De boventoon der Eeuw wordt hees en honds.
Daal af: dit is een smal ravijn; aanstonds
gaan wij vergeten schachten in: daar wonen
ergens nog helderzienden, ondergronds.


Consequentie

Ja, laat ons, nu voldaan werd aan de eer,
de geesten zoeken in hun onderkomen,
waar wij van waarheid zonder strijdlust dromen,
en van een strijd zonder geparadeer.

(S. Vestdijk)