maandag 21 oktober 2013




Herman Gorter, Zie je, ik hou van je


Zie je ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht --
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.

En je neus en je mond en je haar
en je oogen en je hals waar
je kraagje zit en je oor
met je haar er voor.

Zie je ik wou graag zijn
jou, maar het kan niet zijn,
het licht is om je, je bent
nu toch wat je eenmaal bent.

O ja, ik hou van je,
ik hou zoo vrees'lijk van je,
ik wou het helemaal zeggen --
Maar ik kan het toch niet zeggen.


Het lijkt er misschien op dat ik me er wat makkelijk van af maak. Ik beging namelijk met te verwijzen naar de bespreking in de Klassiekers van Meander: http://klassiekegedichten.net/archief/klas077.html Daar staat heel wat in dan ik ook had willen vermelden. Het onbeholpen, meestal volle rijm bijvoorbeeld, dat zo onbeholpen is, dat het gedicht daardoor al mislukt lijkt. Maar hier is een jongen aan het woord die op volkomen onbeholpen wijze verliefd is. Hij kan de mooie woorden om zijn verliefdheid uit te drukken, niet vinden en vervalt in gestamel. De beschrijving van het uiterlijk van dit meisje in strofe 2 bestaat alleen maar uit een opsomming van fysieke kenmerken op een heel bescheiden wijze, want lager dan het hoofd waagt de verliefde jongen zich niet. Joris Lenstra verwijst in zijn bespreking terecht naar Petrarca, die zijn Laura op heel kunstige wijze, maniëristisch, beschreef. Dat kan deze jongen helemaal niet. Hij blijft steken in zijn woorden en erkent dat hij de juiste woorden niet kan vinden. Gorter, die poëtisch echt wel tot iets in staat was, heeft hier zijn dichterschap bewezen door het pure eenvoudige, het onbeholpene, tot poëzie te maken. We rekenen dit gedicht tot het sensitivisme, een periode in Gorters dichterschap, waarin hij het uiterste van de zintuigen eiste. Dat blijkt in dit zo puur eenvoudige gedicht niet zo, maar als je andere gedichten uit Verzen leest, wordt dit toch wel duidelijk.
In de poëzie vind je maar weinig, eigenlijk zelfs geen gedichten die zo de verliefdheid vertolken. Pure eenvoud vind je meer in de liedkunst en de jazz, ik noem Love me tender van Elvis Presley, het obsederende Ne me quitte pas van Jacques Brel, Miles Davis met My Funny Valentine, Night and day van Cole Porter. Juist de zuiverheid in de vertolking en verwoording raakt, ontroert.



Love me tender,
Love me sweet,
Never let me go.
You have made my life complete,
And I love you so.

Love me tender,
Love me true,
All my dreams fulfilled.
For my darlin I love you,
And I always will.

Love me tender,
Love me long,
Take me to your heart.
For its there that I belong,
And well never part.

Love me tender,
Love me dear,
Tell me you are mine.
Ill be yours through all the years,
Till the end of time.

(when at last my dreams come true
Darling this I know
Happiness will follow you
Everywhere you go).

Ne me quitte pas

Laat me niet alleen

Jacques Brel

 
Ne me quitte pas
Il faut oublier
Tout peut s'oublier
Qui s'enfuit déjà
Oublier le temps
Des malentendus
Et le temps perdu
A savoir comment
Oublier ces heures
Qui tuaient parfois
A coups de pourquoi
Le coeur du bonheur
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Moi je t'offrirai
Des perles de pluie
Venues de pays
Où il ne pleut pas
Je creuserai la terre
Jusqu'après ma mort
Pour couvrir ton corps
D'or et de lumière
Je ferai un domaine
Où l'amour sera roi
Où l'amour sera loi
Où tu seras reine
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas

Ne me quitte pas
Je t'inventerai
Des mots insensés
Que tu comprendras
Je te parlerai
De ces amants-là
Qui ont vu deux fois
Leurs coeurs s'embraser
Je te raconterai
L'histoire de ce roi
Mort de n'avoir pas
Pu te rencontrer
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas

On a vu souvent
Rejaillir le feu
D'un ancien volcan
Qu'on croyait trop vieux
Il est paraît-il
Des terres brûlées
Donnant plus de blé
Qu'un meilleur avril
Et quand vient le soir
Pour qu'un ciel flamboie
Le rouge et le noir
Ne s'épousent-ils pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas

Ne me quitte pas
Je ne vais plus pleurer
Je ne vais plus parler
Je me cacherai là
A te regarder
Danser et sourire
Et à t'écouter
Chanter et puis rire
Laisse-moi devenir
L'ombre de ton ombre
L'ombre de ta main
L'ombre de ton chien
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas
Ne me quitte pas.
Laat me niet alleen
Toe, vergeet de strijd
Toe, vergeet de nijd
Laat me niet alleen
En die domme tijd
Vol van misverstand
Ach, vergeet hem
Want het was verspilde tijd
Hoe vaak hebben wij
Met een snijdend woord
Ons geluk vermoord
Kom, dat is voorbij
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Lief, ik zoek voor jou
In stof van de wegen
De parelen van regen
De parelen van dauw
Ik zal heel mijn leven
Werken zonder rust
Om jou licht en lust
Goud en goed te geven
Ik sticht een gebied
Waar de liefde troont
Waar de liefde loont
Waar jouw wil geschiedt
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen

Laat me niet alleen
Ik bedenk voor jou
Woorden rood en blauw
Taal voor jou aleen
En met warme mond
Zeggen wij elkaar
Eens was er een paar
Dat zichzelf weer vond
Ook vertel ik jou
Van de koning
Die stierf van nostalgie
Hunkerend naar jou
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen

Want uit een vulkaan
Die was uitgeblust
Breekt zich na wat rust
Toch het vuur weer baan
En op oude grond
Ziet men vaak het graan
Heel wat hoger staan
Dan op verse grond
Het wit mint het zwart
Zwakheid mint de kracht
Daglicht mint de nacht
Mijn nacht mint jouw hart
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen

Laat me niet alleen
Nee, ik huil niet meer
Nee, ik spreek niet meer
Want ik wil alleen
Horen hoe je praat
Kijken hoe je lacht
Weten hoe je zacht
Door de kamer gaat
Nee, ik vraag niet meer
Ik wil je schaduw zijn
Ik wil je voetstap zijn
Ik wil je adem zijn
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen
Laat me niet alleen

maandag 14 oktober 2013



Herman Gorter,  De aanhef van Mei


Een nieuwe lente en een nieuw geluid:

Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,

Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht

In een oud stadje, langs de watergracht -

In huis was 't donker, maar de stille straat

Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat

Nog licht, er viel een gouden blanke schijn

Over de gevels in mijn raamkozijn.

Dan blies een jongen als een orgelpijp,

De klanken schudden in de lucht zoo rijp

Als jonge kersen, wen een lentewind

In 't boschje opgaat en zijn reis begint.

Hij dwaald' over de bruggen, op den wal

Van 't water, langzaam gaande, overal

Als 'n jonge vogel fluitend, onbewust

Van eigen blijheid om de avondrust.

En menig moe man, die zijn avondmaal

Nam, luisterde, als naar een oud verhaal,

Glimlachend, en een hand die 't venster sloot,

Talmde een pooze wijl de jongen floot.



Zóó wil ik dat dit lied klinkt…..


Mei  heeft meer dan de gedichten van Perk en Kloos dat deden, een nieuw poëtisch tijdperk ingeluid. Het eerste vers benadrukt dit al met het woord “nieuw(e)”. de alliteratie lente-geluid accentueert de klank van het nieuwe poëtisch seizoen. De ik-figuur, verteller in het epische gedicht Mei, heeft duidelijk voor ogen hoe dit lied moet klinken. Daartoe zet hij een homerische vergelijking in die dit gehele verdere fragment beslaat op het laatste vers na. Let op de assonantie in het derde vers: wil-dit-klinkt. De korte klinker drukt het vastbeslotene uit. De plaatsbepaling (het betreft hier het Friese stadje Balk) wordt in het vierde vers door de assonantie stadje-langs–gracht vastgelegd. Het gedachtestreepje geeft de overgang naar het vertellende gedeelte, naar de eigenlijke vergelijking, aan. De dichter is in huis, het is donker binnen, op straat valt de schemering, de straat vergaart de schemer, mooie beeldspraak. De allitererende woorden stille-straat-schemer geven de drie belangrijkste kenmerken van de situatie aan, lucht-laat-licht evenzo. Het laatste zonlicht valt op de gevels, die vanuit het raamkozijn zichtbaar zijn, gouden-gevels leggen allitererend de nadruk op dit verschijnsel. Een plotselinge wending in het verhaal, de verstoring van de stille rust, wordt door het antimetrische “Dan” weergegeven. Het geluid van de jongen klinkt met de volle kracht van een orgelpijp. Binnen het raam van de homerische ergelijking ontstaat een nieuwe vergelijking: de klanken zijn vol en rijp als jonge kersen in het avondkoeltje. De fluitende jongen dwaalt door het stadje, over en langs het water. De trage beweging wordt uitgedrukt door assonantie: dwaald’-water-langzaam-gaande. Een nieuwe, korte vergelijking wordt in het vijftiende vers door het antimetrische “Als” ingeleid. Daarna wordt de zin voortgezet: “onbewust…..” de jongen is blij zonder meer, hij is zich niet eens bewust van die blijheid, die hij laat horen met zijn gefluit, dat niet met de avondrust contrasteert, maar die juist benadrukt. De verstilling wordt uitgedrukt in het alliterende menig-moe-man en verderop nog avondmaal. Luisteren naar dit fluiten is als luisteren naar een oud verhaal en geeft stille blijheid, de luisteraar glimlacht en talmt met het sluiten van het venster, waarmee hij immers het geluid zou buitensluiten.
Dan hervat de verteller zijn verhaal: “Zó wil ik dat dit lied klinkt….. Gorter, iets jonger dan de overige Tachtigers, gaf een nieuwe aanzet tot de schoonheidscultus van hun poëtische beweging. Anders dan de lang epische gedichten van andere tachtigers, wordt zijn Mei nog steeds met bewondering gelezen. Meer in klank en sfeer dan in woorden drukt hij de stemming van de nieuwe tijd uit, van Mei, de personificatie van de lente.

vrijdag 4 oktober 2013


Willem Kloos, XXXIV


Der menschen hoogste smart is wonderbaar.
Zonder gelach,
Zonder geween,
Lig ik gestrekt,
Beweegloos gestrekt,
Starend en stom,
In den nacht.

Paarden-getrappel en wagen-gedraaf,
Donkere vormen bewegen zich zacht
In den donkeren nacht....
Donkere vormen, zonder gerucht,
En ik zucht....

Paarden-getrappel en wagen-gedraaf,
Paarden en wagenen draven gestaag,
Paarden en wagenen draven gestaag met getrappel op straat....
Waar ik roerloos gestrekt lig,
Zonder gerucht,
In den nacht, in den nacht.

Uit Verzen, 1894

Vooraf

Kloos is een van de voormannen van de beweging van ’80 geweest. Dat was de groep dichters die de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie als principe verkondigden. Vorm en inhoud moesten als een geheel de Schoonheid weergeven. Ik laat de literaire historie nu maar verder liggen. Kloos is oud geworden, hij leefde van 1859 tot 1928. De roemruchte wapenfeiten van de Beweging van ’80 vertel ik hier niet. Die zijn makkelijk op te zoeken. Alleen wil ik nog kwijt dat Kloos na zijn 30e weinig interessante gedichten meer heeft gepubliceerd. Hij compenseerde het gebrek aan inspiratie met alcoholische dranken. Toch kies ik voor een van zijn latere gedichten, omdat de exaltatie van Kunst is Schoonheid, toen hij dit schreef, al voorbij was en toch ook om de kwaliteit van dit gedicht.
Laten we voor het gemak maar over de ik-figuur spreken. Daarin zit naar mijn inzicht een hoog gehalte Kloos, maar dat nemen we nu voor kennisgeving aan.

Kunst is passie
Kunst is passie. Het was een hoofdprincipe van de Tachtigers en zeker ook van Kloos. Passie heeft als woord twee betekenissen: hartstocht en lijden. Beide betekenissen spelen in de aandoeningen van de Tachtigers een grote rol. De dichter moet lijden, uit die smart kan Schoonheid opbloeien. Zonder Passie geen hartstocht. Het lijden van de ik-figuur betreft hier de geluiden van buiten die een doodsgedachte oproepen.

De droom

De ik-figuur lijdt dus. Maar inderdaad, zijn hoogste smart is wonderbaar. Hij ligt doodstil in bed, zie verder de eerste strofe. In zijn halfslaap dringen geluiden door van buiten, het geluid van paarden en wagens. Die geluiden suggereren beweging op straat en de dichter hoort in die halfslaap niet alleen de geluiden, hij ziet ook de bewegingen. Het is duidelijk dat hier sprake is van een droom. Maar wel een droom, waarin de geluiden van buiten gaan corresponderen met de visuele elementen van de droom. Uiteindelijk slaapt de ik-figuur geheel in en verdwijnen de geluiden dus.

Vormaspecten

Terwijl Kloos in zijn eerste periode streng de hand hield aan de vorm van zijn gedichten, schreef hij hier een vrij gedicht. In de derde strofe herhaalt de dichter variërend de beelden uit de eerste twee strofen. De aa-klanken, veelvuldig gebruikt, contrasteren met de –a- van getrappel. Het derde vers herneemt de eerste twee verzen op kunstige manier. De droom loopt uit in gedachtepuntjes. Daarna varieert de dichter met andere woorden uit de voorgaande strofen. We moeten hier sterk denken aan de Melopee van Van Ostaijen. Het is op deze site door Rik Wouters besproken.


Inhoudelijke aspecten

Wie de film “Wilde Aardbeien” van Ingmar Bergman heeft gezien, zal ongetwijfeld dit gedicht met die film associëren. De beginscène van deze film laat een man zien die droomt dat er buiten een paard met een lijkkoets voorbijrijdt. Hij gaat, nog steeds in zijn droom, naar buiten en ziet dat er een kist van de lijkwagen glijdt, waardoor het deksel er gedeeltelijk afschuift. Een arm van de dode komt naar buiten. Als de man het deksel oplicht ziet hij zichzelf daar liggen. Dit wil verder niets van dit gedicht zeggen, maar ik associeer toch altijd dit shot uit de film met de halfslaap van Kloos. Alleen gaat de hoofdpersoon in de film naar buiten en lijkt de ik-figuur in het gedicht in slaap te vallen.

Intertekstuele aspecten

Wie Van Ostayen als dichter kent, herkent in de derde strofe veel van het expressionisme van deze dichter. Leg de Melopee van Van Ostayen hier maar eens naast. Rik Wouters besprak het voor deze site. Of Kloos dit gedicht kende, weet ik niet. Maar daar blijf het niet bij. André Breton publiceerde in 1924 het Manifest van het Surrealisme. Daarin propageerde hij ook het ‘automatische schrijven’, het schrijven zonder rationele activiteit, als in een toestand van halfslaap. Als dit gedicht inderdaad in 1894 is gepubliceerd, kan Kloos noch Breton , noch Van Ostayen hebben gekend. De overeenkomst tussen Van Ostayens Avondgeluiden, ook wel Avendgeluiden, is opvallend. Ik besprak dit gedicht op deze site.  Van Ostaijen beschrijf daar ook hoe geluiden van buiten doordringen tot de (half)slapende hoofdpersoon. Dit gedicht is een van de gedichten van Kloos, geschreven in een van die momenten van inspiratie die hij in zijn eerste periode nog mocht beleven. Het is dus niet mogelijk dat Van Ostayen en/of Breton invloed op Kloos hebben uitgeoefend bij zijn schrijven van dit gedicht. Als dit wel het geval zou zijn, zou dit zeker afbreuk doen aan de originaliteit van dit gedicht. Je zou dan van epigonisme of erger nog kunnen spreken. Nu is er sprake van een geval van onbewuste verwantschap.

Ontnuchtering

Deze bespreking zou best aardig zijn geweest, ware het niet dat ik pas na het voltooien naar de datum keek. Ik was verbijsterd! Dat houdt in dat mijn hele beschouwing over de intertekstualiteit met Van Ostaijen niet opging. Nu rest mij niet anders dan de ontstaansgeschiedenis van deze bespreking aan u voor te leggen, terwijl ik met een raadsel blijf zitten. Hoe kwam Kloos in 1894 tot een dergelijke werkwijze? Zo is dit toch wel een heel bijzonder gedicht geworden, tenzij een van de lezers op een andere gedachte komt.

Tot slot
Ik heb weinig neiging de gedichten van Kloos te herlezen. Maar dit en enkele andere van zijn vroege gedichten blijven mij toch helder voor de geest staan. Jammer dat zijn dichterschap zo jammerlijk teloor ging.